God’s Own Country: over snoeven, zwijgen en lenteachtig verliefd zijn

Door Iduna Paalman op

Iduna Paalman bezocht God’s Own Country  en werd lenteachtig verliefd op de personages, het ruige landschap en de zinderende liefde. Maar, vroeg ze zich af, verdient deze film het predicaat “gay cinema” of is het meer dan dat?

‘Ik vond het helemaal geen gáyfilm,’ zegt de vriend met wie ik naar God’s Own Country ben geweest. We hebben net gezien hoe twee jonge mannen tussen de lammeren, de drachtige koeien en de snijdende Noord-Engelse bergwind het soort liefde voor elkaar ontdekken dat heel ruig en heel teder tegelijk is (zie de overeenkomsten met de zachte lammetjes in die felle wind). Een liefde die vooral vanuit een snuivende, haast agressieve lichamelijkheid ontstaat. Seks dus. Duwende, trekkende, elkaar door de modder sleurende seks hebben we gezien. En toch is het niet per se een gayfilm – daar ben ik het wel mee eens.

Het is de tweede keer dat ik de film bezoek, de eerste keer was ik aanwezig bij de gay preview, een paar dagen voor de première. Pas toen ik in de zaal zat, zag ik welk publiek de preview trok: zo’n veertig mannen, allemaal ouder dan ik. Mijn ongemak duurde maar even, al snel voelde ik me precies op de goede plek. Gay is namelijk een te smalle categorisering voor een film als deze.

God’s Own Country (2017) – Francis Lee

‘Mijn land is dood,’ legt de Roemeense seizoensarbeider Gheorghe uit aan boerenzoon Johnny Saxby. ‘Je kunt in elke stad geen steen gooien zonder een vrouw te raken die huilt om haar vetrokken kinderen.’

Het is één van de weinige gesprekken die ze hebben. Johnny is niet zo’n prater. Hij groeit moederloos op en zijn vader – een boer die door een beroerte deels verlamd is – ziet in hem de enige redder van de boerderij. Hij commandeert zijn zoon het hele erf over; altijd is er wel een kalf te halen, een muurtje te bouwen of een rund te verkopen. Johnny’s uitweg: vluchtige seks achter klapdeuren van toilethokken en koeientrailers, en het in de lokale pub zo op een binge drinking zetten dat hij de volgende ochtend regelmatig niet weet waar hij zichzelf en zijn kots moet laten.

Dan komt Gheorghe, ingehuurd om te helpen met lammeren. Zijn verblijf in de aftandse caravan achter het woonhuis is aanvankelijk anoniem en tijdelijk, en heel hartverwarmend wordt hij dan ook niet verwelkomd. ‘We zijn geen opvang voor zwervers,’ zegt Johnny’s vader. ‘Ben je Pakistaans ofzo?’ vraagt Johnny. En daarna: ‘Aha, een gypsy.’

“En zoals ik een allergie heb voor het woord homohuwelijk (hoezo homohuwelijk? Eten homo’s dan ook elke ochtend een homo-ontbijt? Rijden ze in een homo-auto? Kopen ze een homobank bij een homowoongigant?), zo vind ik ook het begrip gay cinema wat lastig.”

 

Hoewel er na wederzijds negeren, uitschelden, snoeven en uit de tent lokken een genegenheid tussen de twee mannen ontstaat die deze film ontegenzeggelijk tot liefdesfilm maakt, is het verhaal meer dan de riedel afstoten-seks-verliefdheid-afstoten-liefde. We zien een ode aan de natuur (regisseur Francis Lee in NRC: ‘In een verstedelijkte omgeving dreigen we te snel te vergeten dat wij ook natuur zijn. We kunnen ons er niet buiten plaatsen.’), een weergalm van de Brexit (Lee: ‘Gezien het huidige politieke klimaat in het Verenigd Koninkrijk weet ik bepaald niet of iemand als Gheorghe nog de kans krijgt om te blijven.’), en een knieval voor vergeving (Lee: ‘Ik ben een groot fan van hoop’). In het romantische gebeuren is niet de seksuele identiteit van de mannen middelpunt – zoals in de meeste gay cinema –, maar de verliefdheid an sich.

En zoals ik een allergie heb voor het woord homohuwelijk (hoezo homohuwelijk? Eten homo’s dan ook elke ochtend een homo-ontbijt? Rijden ze in een homo-auto? Kopen ze een homobank bij een homowoongigant?), zo vind ik ook het begrip gay cinema wat lastig. Natuurlijk – Gheorghe en John ontdekken een zeer hevige liefde voor elkaar. Maar de film is meer dan het feit dat het hier om twee mannen draait. Johnny’s oma vindt een gebruikte condoom, telt één en één op, maar maakt zich vooral zorgen over het voortbestaan van de boerderij.

God’s Own Country (2017) – Francis Lee

Heel vanzelfsprekend vinden Johnny en Gheorghe een manier van leven met elkaar. Prachtig is de scène waarin Gheorghe gekookt heeft, en een bloemetje op tafel heeft gezet. Johnny, woordeloos: oh? Doen we dat zo tegenwoordig? Of in het ziekenhuis, waar Johnny toegeeft dat hij niet met de arts van zijn vader wil spreken uit angst iets te horen wat hij helemaal niet wil horen. De vinger die Gheorghe tegen Johnny’s hand duwt, zachtjes aait. Hoe logisch dat alles aanvoelt.

Nergens is er verweer tegen het gay zijn. Dat lijkt haast het normaalste, het meest zekere in de film. Dat wat uiteindelijk voor rimpels zorgt op het zo lief gedekte tafelkleed is de twijfel, de angst en de onzekerheid die elke grote liefde kenmerkt. Hoe moet je kiezen voor elkaar, voor een bestaan, een bedrijf, een land? Hoe moet je beginnen met praten als er eigenlijk nooit veel te zeggen is geweest?

Gelukkig liet Call Me By Your Name ook al aan een groot publiek zien dat gay cinema gewoon cinema kan en mag zijn. God’s Own Country is minstens zo mooi, minstens zo zinderend, minstens zo universeel. Ietsje kouder, ietsje viezer, maar met de meest tedere lente ooit.

God’s Own Country draait nog in o.a. Cinecenter, The Movies, de Filmhallen, FC Hyena en Studio K.

Interviews

Kunstenaar Jesper Just: ‘Als je steeds maar dezelfde stereotypes in films ziet, ga je je er dan ook naar gedragen?’

Interviews

Regisseur Daisuke Miyazaki: ‘Het met respect vernielen van de klassieke filmregels was super inspirerend voor me’

Shortreads

Over de harde tederheid in Taylor Sheridans ijzersterke ‘frontier trilogy’

Shortreads

De vijf mooiste Nederlandstalige filmdialogen

Shortreads

Wraakfilm The Handmaiden dwingt de kijker tot voyeurisme

Longreads

Liefde en taal in The Lobster